Het geologische ontstaan van de Atta-grot.

Druipsteengrotten vindt men uitsluitend in kalkbergen (karts) die zich in de koraalrifzones van de Devonische zee (Devon = 3de deel van de oudheid van de geschiedenis van de aarde) gevormd hebben.

De belangrijkste in water oplosbare stenen zijn kalk en karst. Door rein water worden zij weliswaar niet aangevallen, maar regenwater is niet chemisch rein. Uit de lucht en uit de met planten bedekte bodem neemt het regenwater kooldioxide (CO2) op. De verbinding werkt op de stenen zoals een zuur en holt het kalgesteente uit. Een netwerk van wateraders ontstaat, die steeds grotere holle ruimtes uitspoelt. Tengevolge van de aantrekkingskracht van de aarde zoekt het water zijn weg steeds dieper in de aarde. De bovenste delen van het systeem worden vrij. Grotten zijn ontstaan.

Wie een druipsteengrot betreedt wordt door een groot aantal steenvormingen (sinter) verrast. Sintervorming is het omgekeerde procédé van de grotvorming. Water en CO2 nemen kleine bestanddelen uit het rotsmassief en transporteren de kalk in de diepte. In de ondergrondse holle ruimtes geeft het water CO2 vrij en kan daarna de kalk niet meer houden. De kalk wordt langs de weg waarover het water loopt afgegeven.

Wanneer de afzetting onder water gebeurt ontstaan mooie kristallen. Druipt het water direct in een luchtruimte dan ontstaan zuilen in (stalagmiet) of hangende (stalactiet) vorm. Wordt het kalk langs de weg aan het plafond afgescheiden, dan vormen zich sintervlaggen (gordijnen). De groei van deze vormen wordt op ongeveer 1 mm in 10 jaar geschat.